Tekortkomingen rechtvaardigen ontbinding (week 7)
Uitvoering opdracht
Na een Europese openbare aanbesteding in 2019 heeft de gemeente Delft aan een aannemer de opdracht gegund voor het “Onderhoud gemeentelijke eigendommen, perceel 1”. Na de aanvang van de werkzaamheden heeft de gemeente de aannemer meerdere malen laten weten niet tevreden te zijn. Op 11 mei 2021 heeft de gemeente de overeenkomst per 1 juni 2021 ontbonden. Daarop heeft de aannemer de gemeente op 22 mei 2021 laten weten niet akkoord te gaan met ontbinding. De aannemer heeft zich er o.a. op beroepen dat hij de werkzaamheden niet (volledig en tijdig) kon verrichten als gevolg van de overheidsmaatregelen naar aanleiding van COVID-19 in 2020 en 2021. De rechter stelt echter dat de tekortkomingen door de aannemer de ontbinding rechtvaardigen. (ECLI:NL:RBDHA:2025:2057, Rechtbank Den Haag, Datum uitspraak 12 februari 2025, Datum publicatie 17 februari 2025)
Feiten en omstandigheden
Na een Europese openbare aanbesteding in 2019 heeft de gemeente Delft aan de aannemer de opdracht gegund voor het “Onderhoud gemeentelijke eigendommen, perceel 1”.
Na de aanvang van de werkzaamheden heeft de gemeente de aannemer meerdere malen laten weten niet tevreden te zijn. Op 21 april 2021 heeft de gemeente laten weten dat er geen of onvoldoende verbetering is bereikt door de aannemer en de gemeente de overeenkomst per 1 juni 2021 met wederzijds goedvinden wil beëindigen. Lukt dat niet in gezamenlijk overleg dan zal de gemeente de overeenkomst ontbinden. Daarop heeft de gemachtigde van de aannemer op 25 april 2021 laten weten dat geen sprake is van tekortkomingen die de ontbinding rechtvaardigen, geen sprake is van verzuim en dus geen sprake van beëindiging van de overeenkomst. Dat heeft het standpunt van de gemeente niet doen wijzigen. Dat er op 3 en 4 mei 2021 een storing van de koelmachines op het stadskantoor heeft plaatsgevonden die de aannemer een week later nog niet had verholpen was voor de gemeente: “[…] de druppel die de emmer doet overlopen”, zo laat de gemeente weten.
Op 11 mei 2021 heeft de gemeente de overeenkomst per 1 juni 2021 ontbonden. Daarop heeft de aannemer de gemeente op 22 mei 2021 laten weten niet akkoord te gaan met ontbinding. Kort samengevat vordert de aannemer van de gemeente betaling van een bedrag van 94.233,75 euro over het jaar 2020, een bedrag van 350.460,81 euro over het jaar 2021 en een bedrag van 357.917,40 euro over het jaar 2022. Verder vordert hij betaling van een bedrag van 25.111,97 euro voor storingsfacturen, een bedrag van 18.810,68 euro aan meerwerk, een bedrag van 2.185,01 euro aan wettelijke handelsrente over te laat betaald meerwerk, een bedrag van 18.687,72 euro aan teveel ingehouden minderwerk, een bedrag van 52.858,29 euro aan verschuldigde rente en een bedrag van 7.715,36 euro aan buitengerechtelijke incassokosten. De rechter zegt o.a.:
COVID-19
“De aannemer heeft zich erop beroepen dat hij de werkzaamheden niet (volledig en tijdig) kon verrichten als gevolg van de overheidsmaatregelen naar aanleiding van COVID-19 in 2020 en 2021. De rechtbank overweegt ten eerste dat voor een geslaagd beroep op ontbinding, toerekenbaarheid van de tekortkoming geen vereiste is. Daar komt bij dat de aannemer zijn standpunt onvoldoende heeft toegelicht en geconcretiseerd. Hoewel het voorstelbaar is dat de overheidsmaatregelen gevolgen kunnen hebben gehad voor bepaalde werkzaamheden van de aannemer, heeft de aannemer niet duidelijk gemaakt welke onderdelen van de werkzaamheden hij niet goed of tijdig kon verrichten door de overheidsmaatregelen. In zijn brief van 27 maart 2021 aan de gemeente meldt de aannemer slechts dat de overheidsmaatregelen de toegang tot objecten en het thuiswerken het werken lastiger maken. Voor de gemeente is in het bijzonder van belang dat de wettelijke verplichtingen niet waren nagekomen. De aannemer heeft niet gesteld dat dit het gevolg was van de bedoelde overheidsmaatregelen. Verder wijst de rechtbank erop dat de klachten van de gemeente al begonnen voor de aanvang van enige overheidsmaatregelen in het kader van COVID-19.”
Volledige ontzorging
“De tekortkomingen door de aannemer rechtvaardigen de ontbinding. Het uitgangspunt van de overeenkomst was de volledige ontzorging van de gemeente wat betreft het onderhoud van de desbetreffende panden. In de overeenkomst is vastgelegd dat (onder meer) “wet- en regelgeving” en “overleg en rapportages” kritische prestatie-indicatoren waren. De aannemer is op beide onderdelen en gedurende een langere tijd tekortgeschoten, ook als ermee rekening wordt gehouden dat sprake was van een implementatiejaar. De rapportageverplichtingen zijn belangrijke verplichtingen, zeker waar het gaat om de wettelijke onderhoudsverplichtingen. Die verplichtingen zien op de veiligheid van de gebouwen en de gebruikers. De gemeente heeft een aantal maal geconstateerd dat de aannemer wettelijke taken, zoals de inspectie en de keuring van de sprinkler- en de brandmeldingsinstallaties niet tijdig oppakte. Het ligt voor de hand dat in ieder geval duidelijk en tijdig gerapporteerd wordt over het voldaan zijn aan die verplichtingen. De gemeente heeft de aannemer daar meermalen op aangesproken en heeft geprobeerd om in onderling overleg tot verbetering te komen. Dat heeft echter niet tot de noodzakelijke verbetering geleid.”
Vorderingen afgewezen
De conclusie is dat de vorderingen van de aannemer, voor zover die zijn gebaseerd op nakoming van de overeenkomst en op de stelling dat de gemeente de overeenkomst heeft opgezegd en niet heeft ontbonden, worden afgewezen. Aan de aannemer zal wel – met aanvulling van de rechtsgronden – worden toegewezen een bedrag van 41.140,00 euro inclusief btw (te weten 314.018,11 euro - 272.878,11 euro) op grond van nakoming van de ongedaanmakingsverbintenis.
(VdLC publishers/consultants BV, 19 februari 2024)
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl