Geen sprake van manipulatie door inschrijver (week 12)
Abnormaal lage inschrijving | manipulatieve inschrijving
In een tussenvonnis had de rechter geoordeeld dat de Politie diende te onderzoeken of de winnende inschrijver niet met irreële prijzen had ingeschreven en of hij geen manipulatieve of abnormaal lage inschrijving had gedaan. Volgens de rechter heeft de Politie genoegzaam aangetoond dat de listprijsverschillen tussen de inschrijvingen van de [inschrijver] en [eiseres] inderdaad, zoals zij had gesteld, verwaarloosbaar klein waren en dat geen sprake was van manipulatie (via de listprijs) door [inschrijver] . Daarmee staat volgens de rechter vast dat de Politie aan haar onderzoeksplicht en aan haar motiveringsplicht heeft voldaan. (ECLI:NL:RBDHA:2025:3835, Rechtbank Den Haag, Datum uitspraak 12 maart 2025, Datum publicatie 17 maart 2025)
Feiten en omstandigheden
In een tussenvonnis is geoordeeld dat de Politie in een aanbesteding niet de voorwaarde heeft gesteld dat alle door de inschrijvers gehanteerde listprijzen gelijk moeten zijn en dat geen sprake is van schending van het transparantiebeginsel. Wel diende de Politie te onderzoeken of de winnende inschrijver ( [inschrijver] ) niet met irreële prijzen had ingeschreven en of [inschrijver] geen manipulatieve of abnormaal lage inschrijving had gedaan. In het tussenvonnis is geoordeeld dat de Politie op dat punt heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht en aan haar motiveringsplicht. Dit oordeel steunt wel op de veronderstelling dat juist is dat de door [eiseres] en [inschrijver] ingevulde listprijzen identiek zijn, behalve op een – zowel qua aantal als qua financiële waarde verwaarloosbaar deel bij slechts één fabrikant – na, zoals de Politie had gesteld. Omdat dit nog niet vaststond, heeft de rechtbank aan de Politie de gelegenheid gegeven om deze stelling te onderbouwen. De rechter zegt o.a.:
Verschillen tussen listprijzen zichtbaar gemaakt
“De rechtbank blijft bij de beslissingen zoals die in het tussenvonnis zijn gegeven. In dit vonnis draait het dus nog uitsluitend om de vraag of de Politie aan de gegeven bewijsopdracht heeft voldaan. Voor zover [eiseres] in haar akte ingaat op verschillen in listprijzen met de inschrijvingen van andere inschrijvers en (opnieuw) betoogt dat op grond van een eerlijk en gelijk speelveld alle inschrijvers van dezelfde listprijzen hadden moeten uitgaan, wordt daaraan voorbij gegaan. De Politie heeft bij akte het door [inschrijver] ingediende prijzenblad overgelegd, met daarin zichtbaar alleen de door [inschrijver] ingevulde listprijzen (productie 3 bij de akte van 22 januari 2025), en niet de andere prijzen. Ook heeft de Politie als productie 4 een door de Politie gemaakt overzicht overgelegd, waarin de verschillen tussen de door [eiseres] en [inschrijver] ingevulde listprijzen zichtbaar zijn gemaakt. Hieruit blijkt dat de listprijzen van [inschrijver] en [eiseres] bij zes producten verschillen, terwijl er in het prijzenblad 137 listprijzen konden worden ingevuld. Bij drie producten was de listprijs van [eiseres] iets hoger dan die van [inschrijver] , bij drie producten was de listprijs van [eiseres] iets lager dan die van [inschrijver] . De grootste afwijkingen zijn [geldbedrag 1] en [geldbedrag 2] (op listprijzen van respectievelijk ongeveer [geldbedrag 3] en [geldbedrag 4] ). Per saldo zijn, als de verschillen voor deze zes producten bij elkaar worden opgeteld, de door [eiseres] opgegeven listprijzen [geldbedrag 5] lager dan die van [inschrijver] .”
Juistheid listprijzen niet ter discussie
“[eiseres] stelt zich op het standpunt dat de Politie niet in de bewijsopdracht is geslaagd, omdat – in strijd met wat de Politie stelt – de verschillen zich bij twee fabrikanten ( [fabrikant 3] en [fabrikant 2] ) blijken voor te doen, en niet bij één (alleen [fabrikant 3] ). Daaruit volgt tevens dat de Politie de rechtbank niet volledig en naar waarheid heeft geïnformeerd, aldus [eiseres] . De rechtbank gaat niet mee in dit standpunt. Uit de toelichting van de Politie blijkt dat er bij fabrikant [fabrikant 2] niet zozeer sprake is van een verschil in listprijzen, maar van een situatie waarin [eiseres] ergens een listprijs heeft opgegeven en [inschrijver] niet. In zoverre heeft de Politie met juistheid gesteld dat bij slechts één fabrikant sprake is van verschillen in ingevulde listprijzen. Bovendien gaat [eiseres] voorbij aan de context en de strekking van de bewijsopdracht. Uit het tussenvonnis volgt duidelijk dat de strekking van de opdracht was dat de Politie moest onderbouwen dat zij terecht heeft vastgesteld dat de winnende inschrijver [inschrijver] niet had proberen te manipuleren door onjuiste of misleidende listprijzen in het prijzenblad op te geven, omdat [inschrijver] en [eiseres] in hun inschrijving dezelfde listprijzen hanteerden, op slechts enkele minieme verschillen na, en de juistheid van de listprijzen van [eiseres] niet ter discussie staat.”
Voldaan aan onderzoeksplicht en motiveringsplicht
“[eiseres] heeft niet betwist dat hoogstens bij de in het overzicht genoemde negen producten sprake is van afwijkingen in opgegeven listprijzen en dat het totale verschil in listprijs tussen de inschrijvingen van [inschrijver] en [eiseres] dus is beperkt tot een bedrag van hoogstens [geldbedrag 9] (0,11% van het totaalbedrag). Daarmee heeft de Politie genoegzaam aangetoond dat de listprijsverschillen tussen de inschrijvingen van de [inschrijver] en [eiseres] inderdaad, zoals zij had gesteld, verwaarloosbaar klein waren en dat geen sprake was van manipulatie (via de listprijs) door [inschrijver] . Daarmee staat thans dus vast dat de Politie aan haar onderzoeksplicht en aan haar motiveringsplicht heeft voldaan.”
De rechtbank wijst de vorderingen af.
(VdLC publishers/consultants BV, 26 maart 2025)
Lees de volledige uitspraak op rechtspraak.nl